Column, januari 2007
Manon Uphoff schrijft maandelijks een column in Elegance. Hier leest u haar column die is verschenen in het maartnummer van Elegance
In Duitsland raken we ze kwijt, in Oostenrijk komen we erachter. Honderden kilometers terug vinden we onze paspoorten weer. Uit een binnenzak op de weg gevallen. Het mijne verminkt (de 1e pagina weg), dat van mijn lief bedekt met modder en het reliëf van een autoband. Met een brief van de politie en mijn boekomslagfoto's (ik heb wat boeken op de achterbank) als bewijs dat ik ben wie ik zeg te zijn, mogen we doorreizen.
Het huisje is klein, KOUD, (want lang niet bewoond), het interieur verouderd. Lambrisering van houten latjes, een keuken met duizend-en-eenkastjes, het hout geschilderd in de meest wonderlijke kleuren. Boven staat een kast in de slaapkamer die zo groot is dat er een tweede bed in past. Het is een spiegelkast, elke avond kijken we naar onszelf voor het slapengaan.
Er is een dakterras. Vandaar kan je uitkijken over een stuk zee, over bossen en de bergen aan de overkant. Het is het terras en het uitzicht waar we verliefd op werden. Nu moeten we boete doen voor deze liefde. Eerst moeten alle vliegen dood die zich de afgelopen twee jaar het huis hebben toegeëigend. ‘Op’ stofzuigen durf ik ze niet, in mijn verbeelding vermenigvuldigen ze zich in de in de buikholte van het apparaat dat door de vorige bewoners is achtergelaten. Mijn lief slaat een spijker in zijn hand, ik laat een zware mok op de nagel van mijn grote teen vallen. ‘O, ik weet precies wat er gaat gebeuren,’ zegt hij opgewekt: ‘Eerst wordt hij blauw, dan zwart, dan valt hij eraf.’ In de dagen daarna zwelt de teen, de nagel wordt blauw, dan zwart.
‘Er staat hier een waterstofzuiger,’ zegt hij,‘waar zou die voor zijn?’
’s Avonds vergeet ik de stop uit de douchebak te halen. De bovenverdieping komt blank te staan, de waterstofzuiger loeit. We krijgen bericht dat er drie beren zijn gesignaleerd op het eiland. Tijdens een bezoek aan het kerkje heeft de priester het over exorcismen en dat de duivel nog steeds onder ons is. Op de voorpagina van de krant een foto van de gehangen Saddam. In bed kijken we elke avond naar de man en de vrouw in het bed tegenover ons in de spiegelkast, en naar de twintig afleveringen van ‘Oorlog en Vrede’. Pas tijdens de derde aflevering kom ik erachter dat de man die Pierre speelt de acteur Anthony Hopkins is. Het geweld van de oorlog is sereen in beeld gebracht, met een ontploffende soldaat op de miljoenen doden (om dit te verifiëren hebben we tien keer teruggespoeld!) maar het komt toch aan. Ik lees een verhaal van Conrad over een man die in het goede gelooft, maar beroofd en bedreigd wordt in Napels - de stad waar hij zo naar verlangde, en herlees De Aleph van Borges. Later, we zitten zwijgend, tevreden bij elkaar, aan de overkant, aan ‘gene zijde’ branden de lichtjes van de havenstad, krijg ik een idee voor een verhaal: een man komt erachter dat zijn vrouw en hij al tien jaar niet meer met elkaar gesproken hebben, dat het zwijgen langzaamaan tot stand is gekomen en niet het gevolg is van conflict, koelheid, woede, zoals in de beginjaren van hun huwelijk, dagen waarin zij elkaar bitter ‘doodzwegen’, nee, dat de stilte is gekomen als een geschenk, als sneeuw in de nacht. Het is in februari dat de man dit denkt. Aan het eind van de dag gaan zijn vrouw en hij naar bed, het is koud, ze liggen dicht bij elkaar, zijn vrouw leest een boek, als ze zich opzij draait om het weg te leggen op het nachtkastje ziet de man een schaduw de kamer binnenglijden, het is de schaduw van de dood, de man kent hem goed, hij heeft er twee keer mee gevochten en twee keer van hem gewonnen, maar nu trekt hij over de muur richting zijn vrouw. De man raakt in paniek, wat moet hij doen? Als hij schreeuwt om haar te waarschuwen, zal hij de stilte verstoren, zijn onverwachte woorden, na een rust van meer dan tien jaar zouden haar bang maken. De schaduw is al dichtbij haar. Hij zwijgt – en de dood buigt zich over haar. Ik grabbel op het kastje naar mijn aantekenboek. ‘Ik heb een verhaal,’ zeg ik tegen B - en doorbreek de stilte. Hoe het komt weet ik niet, maar ik heb het nog niet gezegd of hij zegt iets, ik zeg iets, hij zegt weer iets en nog geen vijftig, zestig gesproken woorden later is er een knallende ruzie, zijn er golven razende woordenstromen.
Het leven volgt iets, trekt een spoor, maar probeer eens uit te vinden wat de afdrukken betekenen.