Verhaal

Het verhaal Op de set van Manon Uphoff verscheen in het tijdschrift Avantgarde.

Op de set

Het was tijdens de pauze, de set stond op het punt afgebroken te worden, we hadden hard gewerkt en het leek goed te gaan met de film (we hadden er meer dan de helft van de draaidagen op zitten). Er waren wel wat moeilijkheden geweest, maar nu was het meeste opgelost, er had zich een klein ongeluk voorgedaan met een van de hoofdacteurs (nogal een zeur was dat) maar niets om over naar huis te schrijven en niets waar niet voor kon worden gezorgd, zijn pols was al uit het verband, de catering was goed, geweldig als altijd, sandwiches met en zonder boter, een keur aan kaasjes, stevige chorizo, soep, risotto met shi-take, bier en wijn en dit is het verhaal zoals de regisseur, die een neus had voor het afwijkende, een grote, praatgrage man met een verrukkelijke kleine en verschrikkelijk grappige vrouw over wie hij sprak in de meest liefdevolle bewoordingen en die hem soms opzocht tijdens het draaien, het ons vertelde:
‘Een goede vriend van mij, jullie kennen hem wel, de bekende acteur... nee, ik zal zijn naam niet noemen, somber aantrekkelijk, een beetje triestig wijs, met die zwarte scherpe humor die veel vrouwen zo onweerstaanbaar vinden – in het openbaar verscheen hij dan ook altijd met de meest ravissante vrouwen - vertrouwde me eens toe, (en ik was niet zijn enige vertrouweling) dat hij in zijn priveleven eigenlijk veel liever de lelijke eendjes had. En inderdaad toen hij me een keer op sleeptouw nam en de ene na de andere schoonheid passeerde, probeerde hij het tot mijn verbazing aan te leggen met een meisje dat je niet alleen nauwelijks aantrekkelijk kon noemen, of zelfs maar doorsnee, maar echt... nou ja... lelijk, met een gebogen neus en een bottig gezicht, en zelfs een soort van beverige tic, in ieder geval, naar haar ging zijn belangstelling uit, en met haar verliet hij uiteindelijk die kroeg, zijn arm als een beschermheer om haar heen geslagen. Ik was gefascineerd en hij legde het me uit, een nacht waarin we allemaal dronken waren als Caligula. Hij zei opnieuw dat hij van alle vrouwen ‘de lelijke eendjes het liefste had’, op dezelfde toon, alsof het een soort mantra was. Maar waarom, vroeg een van ons. Was het omdat ze zo dankbaar waren en eens echt voor je wérkten in bed en je tot een god maakten, terwijl de mooiste en prachtige vrouwen natuurlijk gewoon zijn onverdeelde aandacht en toewijding opeisten en je echt konden uitputten? Ja, gedeeltelijk, zei hij. Het ging om devotie, zei hij. Het was hem opgevallen dat hij alleen in staat was tot devotie als degene tot wie die zich richtte dat totaal niet verwachtte. Hij zei dat het dan pas devotie was, puur en onversneden. Inmiddels, zei hij, was het al zo ver dat hij gericht op zoek ging naar de meest meelijwekkende creaturen, in steden en dorpen, achterbuurtjes, en ze mee naar huis sleepte om ze als koninginnen te behandelen. (Om te veranderen in de baarlijke duivel zodra ze op het punt stonden hem te geloven – en ze deur uitgooiend als ze het hele ‘kunstmatige’ en constructieve elementen van de verhouding uit het oog begonnen te verliezen.)’
‘In ieder geval, hij hield er een complete theorie op na. “Federico Fellini, zei hij, die voor een film eens een glanzende zee nodig had, en met de voltallige crew naar de kust ging om daar opnames te maken, raakte zo teleurgesteld door de realiteit van die zee, de schuimkoppen, de golven, dat hij riep: “dat ziet er toch niet uit” en later, in de studio, van honderden en nog eens honderden meters doorschijnend plastic een kunstmatige zee liet maken, die door tientallen handen aan het rollen werd gebracht en door de filmlampen aan alle kanten werd beschenen. Alles glinsterde en rolde en bewoog betoverend en hallucinerend en iedereen was het met hem eens geweest dat dat veel beter was dan de echte zee. Precies zo vermoeide de echte schoonheid van vrouwen hem, en zag hij liever de soms wanhopige nabootsing ervan in anderen. Hij deed echt zijn best ons te overtuigen.
“Er zijn vrouwen,” zei hij, “die verliefd worden op de soldaten die hun eigen mannen en zoons hebben afgeslacht, sterker nog: er zijn zelfs echtgenoten die hier – voorafgaand aan hun eigen slacht – begrip voor hebben en het er zelf mee eens zijn...”
“Wat heeft dat in ’s hemelsnaam te maken met onaantrekkelijke vrouwen?” zei ik, hij had me aan het denken gezet.
Nou, was het niet fantastisch, geweldig zelfs om ook de vrouwen die van nature geen lady Macbeths waren, met de gelegenheid eens te zien opstijgen tot grote hoogte? Om ze, al was het maar kort, te doen geloven of te laten spelen dat ze het hart van mannen konden veroveren, verdelen en verscheuren? Hem konden doen wegzinken in misère en ellende als ze hem weigerden of miskenden en om dit voor elkaar te krijgen en goed te weten dat het een zorgvuldige constructie was? Een spel. Niet het blinde, domme, stompe instinct waarover iedereen beschikt, maar een vorm van kunst! Waarvoor was hij anders acteur?
Maar bleef hij bij ze? Nee, want na een tijdje gebeurde er altijd het volgende: of ze begonnen te geloven in het hele gedoe en zijn ‘aanbidding’ echt te accepteren, na een tijdje verdampte dan het laatste restje van hun dankbaarheid (nog niets een zo erg), maar vervolgens wilden ze ineens geloven dat het werkelijk hun karakter was waar hij van hield. Terwijl, hier komt het, hij juist hield van die kille wispelturigheid, de humeurigheid, het verveelde en koele, het onberekenbare van te mooie vrouwen en die eigenschappen dus van ze verlangde. Of ze werden er zo nerveus van en vonden het allemaal zo zenuwslopend, die constante zorg dat hij er weer vandoor zou gaan dat ze de rol niet aankonden. Dan wankelde het hele bouwwerk, verkruimelde het voor zijn ogen. Want ze moesten wel weten dat het een te vernietigen bouwwerk was, hij had uiteindelijk ook die tussenmomenten van ze nodig: de extase, de angst, de angst, de trots, hun achterdocht... hij was dus niet als Casanova, die de jacht zelf nodig had en er de hele tijd op uit wilde om te veroveren...’
‘Freudiaans hoor,’ zei iemand uit ons groepje, terwijl de soep werd ingeschonken.
‘Ja, ontstellend Freudiaans.’
‘Ik heb hem nu al een tijdje niet meer gezien,’ slurpte de regisseur, ‘het schijnt dat zijn moeder, ooit ook een... sllllp... actrice van naam, maar van de Duitse.... sllllp... school, gründlig, gründlig – zich volledig heeft teruggetrokken uit de publiciteit en ergens in een stikdonkere kamer leeft en dat hij dagelijks bij haar langsgaat... dat is... verrek wat is dat nou..? Hij trok de punt van zijn stropdas uit de soep, ‘wat ik gehoord heb tenminste. Dat ze, in haar tijd een vurig loeder, nu ver in de tachtig, slaapt met een zuurstofmasker en alleen nog vloeistof tot zich neemt. Hoe dan ook, de laatste keer dat ik hem zag, was bij hem thuis, ik was uitgenodigd, een geweldig appartement was dat, zag eruit als een Lunapark, heb in mijn hele leven niet zoveel gekleurde en flakkerende lampen gezien, je kwam er niet achter wat voor echte kleur je eten had, hele vreemde ervaring, je wortels blauw op het bord te zien liggen en je tournedos springend van paars naar oranje, alle kleuren van de regenboog, en we zaten aan zijn tafel – we hadden wat gepraat over het stuk waarin hij toen speelde - en hij had een nieuwe vrouw, moet je weten, echt lief, heel vriendelijk, maar doodgewoon. Ik peinsde me suf wat het was. Wat er met haar kon zijn, want, nou ja, dat is wat ik half en half verwachtte, denk ik... dat er iets met haar was. In ieder geval, kwam ik snel genoeg achter. Het werd allemaal nog behoorlijk grimmig en onaangenaam toen het later werd, we dronken onze cognac en wodka alsof het kinderlimonade was en zo zag het er ook uit in dat licht.
“Toe dan, vertel het hem dan,” had ze gezegd, toen we een paar drankjes op hadden. Ik weet toch dat je er niet alleen in ‘t geniep verschrikkelijk trots en dol op bent. Het is toch je meest geliefde, kitscherig romantische verhaal en met afstand je beste performance. Vertel het hem dan! Wat houd je tegen?!”
“Alles, mijn liefje,” zei hij, en daar gooit hij die hele tafel omver, om daarna tussen onze malse veelkleurige tournedos, groene en purperen sausklodders, schalen, babypeultjes, kapotte glazen, wijn die uit de fles druipt, en die doorflakkerende lampjes en kleurtjes alsof hij Travolta was tijdens zijn discodans te beginnen aan zijn onbegrijpelijke tirade over bouwwerken, constructies, dat een gebouw waarvan je ooit het raamwerk hebt gezien, niet onafgemaakt hoeft te blijven en weet ik veel wat nog meer allemaal.’
Hij pauzeerde even.
‘Daarna kwakte hij haar op straat, huilen, beschuldigingen, echt afschuwelijk. Dus nam ik haar mee naar huis, moet je weten, gewoon, om haar even tot rust te laten komen. Lief meisje was het.”
Achter ons vielen een paar buizen naar beneden. De opname van die dag had zich half binnen, half buiten afgespeeld. Buiten onze kring, op gepaste afstand, stonden de tafels van de figuranten, hun belegde broodjes onder cellofaan.
Nou ja, later die nacht vertelde zij me hoe hij aan haar gekomen was. Dat was misschien een halfjaar nadat hij een Gouden Beer gewonnen had, hij zat bij zijn buitenhuis, op de veranda, helemaal the poor lonesome cowboy en die oudere vrouw, flink eindje over de middelbare leeftijd komt langs, niets met bekendheden uit te staan of op de hoogte waarschijnlijk, want ze herkende hem totaal niet en had een licht accent. Ze had een grappig klein hondje bij zich, springerig ding, heel spits, alert en nieuwsgierig, met een bruinzwart vachtje dat in plukjes alle kanten op stond, en de glanzendste bruine oogjes, en dat was onmiddelijk op hem afgerend. “Ach, neem me niet kwalijk,” zei ze - en trok het beestje meteen terug, maar overduidelijk met de bedoeling het hondje als aanleiding voor een gesprek te gebruiken, “hij is niet van mij, en doodnieuwsgierig.”
Volgde een hele verhandeling, hondje was van haar dochter. Dochter was in ziekenhuis, je kon het ziekenhuis vanaf hier zien liggen, zelfs het raam van de kamer waar ze lag, maar toch nog langer lopen dan ze van daaruit had gedacht, al had ze gewoon moeten lopen, lopen, lopen, zo blij met die uitslag: haar dochter kankervrij. Na maanden van paniek, angst die verschrikkelijke ingreep... en dat op zo’n jong lichaam! Ach wat een ellende. En ook daarna niets zeker. Steeds weer nieuwe foto’s en nieuwere foto’s, je zou bijna denken dat ze er in die ziekenhuizen complete feestalbums van aanlegden, en scans en dan het bestralen, de chemo, dit proberen, dat eens proberen, nog maar weer eens een cocktail... Ach, haar dochters lange bruine haar, als de veertjes van een vogel... floep, floep, floep, en op een dag helemaal niets meer, het laatste veertje, en weer medicijnen en wachten... wachten... wachten met die angst die je van binnen helemaal rauw maakte, waardoor je soms wenste dat het maar voorbij was! Verschrikkelijk! Haar man was dood, maar dat was alles bij elkaar minder erg geweest, een man kon je ruilen, je kon een nieuwe aanschaffen, een kind was eenmalig. Maar nu... dolblij, dolblij... kon de hele wereld aan, de opluchting, kankervrij verklaard, en haar haar was ook weer helemaal terug.
Toen was daar ineens die foto.
“Alstublieft,” had ze gezegd, “alstublieft... ik ben haar moeder, ik kijk anders, maar u bent een man... u moet weten of... ze is nog zo jong... u weet of het te verdragen is...”
Hij had daar gezeten zonder een antwoord te geven, met die vreemde ziekenhuisfoto van een hem onbekende vrouw, een polaroid met een onbekend naakt bovenlichaam in zijn handen, dat eruitzag als van een jonge amazone, alsof ze zelf met één gebaar aan de linkerkant...
Uiteindelijk had hij geknikt, gemompeld, hij wist niet meer wat, de foto teruggegeven. Maar toen ze doorliep, was hij opgestaan en kalm, in een rechte lijn naar dat ziekenhuis gegaan, waar hij haar in die kamer had gevonden.
“Maar lieve kind, hoe ben jij dat dan in godsnaam allemaal te weten gekomen?” vroeg ik.
Triest lachje. Omdat hij het haar zelf had verteld, in geuren en kleuren, een maand nadat ze in het geheim, tijdens een vakantie in de Dordogne, waren getrouwd. Ze had zelf niet eens geweten dat hij zo bekend was, een acteur van naam. Ze had niet een van zijn films gezien.
We waren allemaal een tijdje stil. Wierpen een blik op de set, die er kaal en blikkerig bij lag.
‘Nou, nou, erg Freudiaans allemaal,’ zei iemand nog eens.
‘Stel je voor,’ zei de regisseur, hij pulkte een shi-take van zijn kleurige zijden das, een beetje mijmerend en mompelend en ons allemaal meenemend op zijn kleine gedachtenreis: ‘Ik heb me sindsdien vaak afgevraagd hoe het moet voelen om een jonge chirurg te zijn en de borst van een vrouw te verwijderen. Om haar binnengereden te zien worden, haar gezicht bedekt, haar bovenlichaam nog onder een laken, en dit laken te openen, en daar is hij, ferm, fris, alles wat er mis mee is, is binnenin verborgen. En dan het instrument opnemen, het chirurgenmes. Haar een dag, een paar dagen later te ontslaan, om terug te keren naar zijn vrouw, zijn minnares, zijn dochters, om hetzelfde ding dat hij zo wreed verwijderd heeft, opnieuw te knuffelen, te kussen, de borst waar hij aan zoog als baby!’
‘Heel, heel erg Freudiaans, allemaal,’ zeiden we nu - terwijl vrouwenborsten voor ons geestesoog rondzweefden als onderwaterbloemen.
‘Ja heel erg,’ beaamde hij. ‘In ieder geval, een paar uur later kwam hij naar mijn huis. Het was al bijna ochtend. Bellen, schreeuwen, op de deur bonken, wilde perse met me op de vuist, liet ik hem binnen, hij meteen huilen als een klein kind, dat hij van haar hield, hield... zou sterven zonder haar... Zij wegrennen, bleek vertrokken gezicht en “nee-nee dit gaat toch niet meer?” roepen, “alles is vals, alles is helemaal vals” hij zich ondertussen zo hevig met de gebalde vuist tegen het hoofd slaand dat je er bang van werd: “het valse is echt” en ik maar proberen ze tot bedaren te brengen, wahaha, het was allemaal geweldig, mind you, we hebben het over het jaar 2002, de halve wereld staat in brand, maar tussen die twee is het helemaal Ophelia en Hamlet. Ging gewoon weer met hem mee terug, natuurlijk, je vraagt je af waarom, maar ze deed het.’
‘Ik hoorde eens van een moeder,’ zei iemand anders, ‘die haar dochter bleef voeren tot ze zowat barstte! Kon geen nee-zeggen tegen haar lievekleinemeid die al zo’n beetje driehonderd pond woog! De gedachte haar iets te ontzeggen was gewoonweg hartverscheurend! Stond midden in de nacht op om worstjes voor haar te braden!’
‘Dat is geen verhaal,’ werd er opgemerkt, ‘dat is gewoon iets – dat zijn gewoon dingen die gebeuren.’
‘Maar ik ken die acteur is over wie je het hebt,’ onderbrak een figurant die zo brutaal was geweest onze kring op te zoeken en over de tafel gebogen een reusachtig stuk chorizo aan plakjes sneed, en een kom tot aan de rand vulde met soep, ‘en ik weet zeker dat niets van wat je hebt verteld, waar is! Ik heb hem meer dan eens gezien en altijd met de prachtigste vrouwen! Dat van zijn moeder klopt ook niet, die is ziek, maar niet gestoord.’
‘Is dat zo?’ zei de regisseur. ‘Is dat zo?’
‘Nou ja, men zegt dat het mijn zwakte is, die onstuitbare behoefte tot fabuleren! Hoe dan ook, ik heb jullie wel aan borsten doen denken, nietwaar? En aan de verborgen vreugdes en banden die kunnen bestaan tussen een man en zijn vrouw.’
In de verte, op de nu volledig afgebroken set, alsof daar helemaal niet gewerkt, gevloekt, gelachen en gehuild was, verscheen zijn kleine en grappige Olga, van grote afstand te herkennen aan haar springerige, nieuwsgierige loopje en haar glanzende bruinzwarte haar dat alle kanten op sprong.


Voor Avant-garde [mei 2007]