Fragment uit De spelers

Fragment uit <em>De spelers</em>

Ik ontmoette J. aan het einde van een zomer waarin over de hele wereld een vluchtelingenstroom op gang was gekomen.
Het was het jaar 1992. Ik woonde in een torenflat, een moloch van een gebouw uit een blok van vier, dat van de rest van het carré kon worden onderscheiden door de reusachtige groene tube die over de gehele lengte van de zijgevel was geschilderd, waar de andere drie beschikten over zo'n zelfde tube in rood, geel en blauw. 'Mijn' gebouw had enige faam verworven doordat een tweeling er ooit hand in hand vanaf was gesprongen; een gebeurtenis waarover ik pas hoorde toen ik er al was ingetrokken.
Ik had afscheid genomen van mijn minnaar. Een ongelukkige jongen bij wie zich al in de eerste maand van onze omgang schizofrenie had geopenbaard en die ik, ook al had ik zijn ziekte niet herkend en onder zijn gedrag niet erg geleden, gekleed in een vuurrood, ouwelijk mantelpakje naar de psychiatrische kliniek had begeleid, vanwaar hij me nog lange tijd bange ansichtkaarten stuurde, met afbeeldingen van kaartende honden of een schaap in een rok.