Fragment uit Schaduwvlammen, alle verhalen tot vandaag
De wond
Bladzijde 339-340
Een man wordt verliefd op een vrouw. Het is liefde op het eerste gezicht.Hij begint haar overal te achtervolgen. Omdat de man haar niet met rust laat, stemt de vrouw uiteindelijk toe. Ze zal bij hem blijven, maar onder één voorwaarde.
‘Ik wil dat je me verwondt,’ zegt ze, ‘dat je me een wond toebrengt.’
‘Hoe kan ik dat doen,’ zegt de man, ‘je bent me dierbaar.’
Als je me niet verwondt, dan ga ik weg op een dag, zegt ze, omdat ik makkelijk te beïnvloeden ben en anderen om mijn
hand zullen dingen. Ze zullen me van alles en nog wat in het oor fluisteren, zoete dingen, zoete woordjes en omdat ik ouder zal worden, zal ik daar behoefte aan hebben en daar vatbaar voor zijn. Je moet dus niet wachten, je moet me nu verwonden. Ze bespreken de wond. Wat voor een moest het er zijn? Hij is timmerman en smid. Ze besluiten dat hij haar linkervoet zal afhakken, zodat ze niet meer van hem zou kunnen wegrennen, zelfs als ze dat zou willen. Op een dunne en winderige morgen, in het open veld, hakt hij de voet af.
Daarna maakt hij een houten voet voor haar. En die voet is een kunstwerkje. Het hele verhaal van haar leven is erin uitgesneden. Het grootste deel van de tijd gaat de voet schuil onder een stel lappen. De vrouw kon er niet mee wegrennen, al leerde ze er wel mee te lopen, maar dat kostte heel veel moeite, zei ze. Misschien had ze toch geleerd ermee te rennen, maar daar kwam de man nooit achter. Omdat de houten voet zo schitterend is, rijst de naam en de faam van de timmerman, die zo’n magnifieke houten voet had gemaakt, waarmee je niet kan rennen, maar die wel je hele verhaal erin uitgesneden heeft. Van heinde en verre komen er mensen om hem te vragen ook voor hen iets te maken, het geeft niet wat, en de timmerman maakt het ene na het andere fijne voorwerpje, maar niet meer zo’n voet, want dat is eenmalig.
Dan wordt de vrouw op een dag bang dat de man haar zal verlaten. Ze is nu inderdaad oud en heeft ook nog eens een houten voet waarmee ze niet kan rennen, en de dagen zijn voorbij dat de mannen puur bij oogopslag naar haar verlangden. Maar zijn roem is toegenomen, er zijn al jonge meisjes die hem hun handjes en borsten en van alles eigenlijk aanbieden in ruil voor iets van hout met het verhaal van hun leven erop, maar steeds opnieuw weigert hij.
Is dat omdat hij zich die voet herinnert die hij op een ochtend had afgehakt toen ze nog jong was en gemakkelijk weg had kunnen rennen, en het bloed dat stroomde en dat door een boom bij de wortels was opgezogen, waarna die rode bladeren had gekregen? Of de lange, lange uren die hij bezig was geweest met het snijden en bijwerken en schaven en gutsen aan dat ene stuk hout? Of de levendigheid van de huid en de manier waarop de tenen hadden gereageerd op de kieteling van zijn vingers en de lichte huivering die door ze heen trok toen hij dichterbij kwam met de bijl, zoals de bladeren trillen en ritselen als de wind opsteekt en door ze heen blaast…?’