NIEUWSBIOGRAFIEBIBLIOGRAFIEFRAGMENTENLINKSCOLUMNWORK IN PROGRESSCONTACTBESTELLENHOME
COLUMN
 

Verhaal 'Kant'
 
Het was een week waarin zich wereldwijd een opvallende hoeveelheid ingrijpende gebeurtenissen had voltrokken. Daaronder een aantal dat nauwelijks te verdragen was geweest. Incidenten die scherp afstaken tegen het gebruikelijke toch al grimmig landschap van misdaad, moord en verlies. Voorvallen die net als bij anderen aan haar lichaam en ziel hadden gekrabd en daarom zo snel mogelijk naar de achtergrond moesten worden gedrukt vóór de verdoving die aanving met een koud gevoel in de tenen, het verlies van souplesse in de vingers, daarna in beweging zich nog verder zou uitspreiden.
Feitelijk schreeuwden de gebeurtenissen in die week, maand, dat jaar, die periode waarin zij leefde en ronddwaalde om een respons.
Dat was waarom ze besloot erheen te gaan, die middag. Naar de kleine shop in het zijstraatje dat ze vaak had gepasseerd. Het was er niet zo smoezelig als in sommige van zulke zaken, hoewel ze nooit bij een ervan binnen was geweest. De etalageruiten waren schoon, van helder glas en het interieur had meer weg van een winkel voor exclusieve Italiaanse schoenen of een reisbureau waar je een trip naar een onbekend exotisch eiland kon boeken dan van een plek die traditioneel fungeerde als ontmoetingsplaats voor zeemannen, motorrijders en hun vrouwen, vrouwen en hun motorrijders, jonge, brutale en overmoedige meisjes (hun frêle ratachtige gezichtjes bezaaid met puistjes, het blauw van hun aderen zichtbaar onder de papieren huid van hun armen), alcoholisten die indruk wilden maken en in hun beneveling reikten naar ‘iets groots’ en oudere mannen en vrouwen die hadden besloten dat ze voor de verandering iets volkomen krankzinnigs en buitenissigs zouden doen omdat het nu hun tijd was - en die vervolgens naar buiten kwamen met hun rug of buik overtrokken door enorme slangen, tarantella’s en doodshoofdvlinders, of draken en andere mythische schepsels zoals Cerberus de driekoppige hellehond die de poort naar het vuur bewaakt, de griffioen, de harpij, of Quetzalcoatl, de gevederde Maja-god, zonder te weten naar welke literaire, mythische of historische gebeurtenissen en verhalen ze voor altijd (tot aan hun dood) zouden verwijzen. En natuurlijk had ze gehoord van verschrikkelijke incidenten. Mensen die waren vergiftigd omdat de inkt direct in hun arteriën was gespoten. Koortsaanvallen bij ongelukkigen die met vuile naalden waren behandeld. Of van de groteske afbeeldingen, aangebracht en ontworpen door beunen, waarmee je rondliep als levende aanklacht en belediging van schoonheid en kunst.
Haar beslissing kwam niet voort uit een behoefte indruk te maken. Misschien was het, méér dan iets anders, de noodzaak voor eens en altijd tot iets door te dringen.
Ze passeerde een etalage.
In een lichtkast toonde de voorpagina van een krant de foto van een jonge vrouw, niet erg aantrekkelijk, plomp, met een kort, bol kapsel, die een donkerharige man – naakt, besmeurd en op de vloer als een hond – voorttrok aan een riem. Ze had hem al eerder gezien. De foto was op elk journaal geweest. Daaronder nu een advertentie voor een boek dat ‘magnifiek geschreven’ was en ‘uw leven beslist zal veranderen’.
Ze liep voorbij, sloeg het zijstraatje in en ging de winkel binnen. Aan de man die er op een smal laag bankje zat, legde ze uit wat het precies was dat ze verlangde. Hij bleef zitten, nam haar lang en bedachtzaam op. Toen zei hij dat hij geen expert was en niet ervaren genoeg. Dat ze, voor wat zij wilde, de eigenaar nodig had en die zou er de volgende week pas weer zijn. Hij noteerde haar naam, gaf haar een ruwe indicatie van de lengte van de benodigde sessie en noteerde een telefoonnummer en e-mailadres op een stuk papier dat met inktvlekken was bespat. Ze voelde hoe hij even overwoog het zelf te doen, in gretige en al te voorspelbare begeerte, maar dat vrees het op de verkeerde manier aan te pakken, hem tegenhield en was hem daar dankbaar voor.
De week erop keerde ze terug. Geen van de gebeurtenissen in de voorafgaande periode hadden aan invloed verloren of waren fatsoenlijk afgerond. Integendeel. Almaar nieuwe incidenten hadden zich eraan toegevoegd en ze wist dat het nu snel moest gebeuren omdat het onmogelijk was ooit nog een straat over te steken, een tv-programma te bekijken, een boek te lezen of iemand in de ogen te kijken zoals ze nu was.
De eigenaar was aanwezig. Hij was mager, met droge vingers, en niet Aziatisch (wat ze op de een of andere manier had verwacht). Zijn gezicht had iets Kaukasisch, maar het accent waarmee hij sprak was lokaal. Zijn stem was zacht en meisjesachtig.
Ze vertelde opnieuw wat ze wilde en hij knikte, kauwend op een soort takje, maakte wat aantekeningen en stelde haar vragen. Had ze ooit een huidziekte gehad? Was ze allergisch? Hoe was haar algehele conditie, gezondheid? Toen hij klaar was vroeg hij haar achter het gordijn te stappen en zich uit te kleden omdat hij de huid eerst wilde zien. Ze deed wat hij vroeg. Hij draaide haar een paar keer rond, knikte opnieuw, zei dat ze met een dag of drie terug kon komen - dat hij het allemaal het liefst in een keer deed, alles bij elkaar zou het zo’n zes a zeven uur duren, dat was erg lang, beslist geen standaardsessie en het zou pijnlijk zijn. Hij schreef een recept uit voor pijnstillers die haar bloed niet zouden verdunnen, zei dat ze ‘schoon en helder’ terug moest komen, gewassen, ongeparfumeerd, geschoren, met zachte comfortabele kleding voor daarna. Liefst zijde of geweven katoen. Handdoeken waren hier. Na de behandeling zou hij een paar uur bij haar blijven om te controleren hoe de huid reageerde en om indien nodig medische hulp in te kunnen schakelen. Hij zei dat hij niet zeker wist of hij alles kon doen wat ze wilde, maar dat hij zo ver zo gaan als mogelijk was.


Hij vroeg haar naar achteren te komen.
De gordijnen voor in de winkel werden gesloten.
Het licht in de ruimte ontstoken.
Nu pas zag ze dat hij een beetje mank was. Hij was gekleed in een zwarte jeans en een zwart T-shirt met korte mouwen dat nogal contrasteerde met zijn armen waarover een gelige glans lag en kauwde opnieuw op een takje. Toen hij het even later op een schoteltje legde en een nieuw takje uit een glas nam, zag ze dat het zoethout was.
Mijn ouders zijn gestorven, dacht ze, terwijl de naald trilde en zoemde en de inkt zich door het epidermis naar de dieper gelegen huidlagen zoog. Zij hebben mijn eerste naaktheid gezien, maar niet mijn laatste. Toen meanderden haar gedachten naar haar eerste minnaar, die haar nauwelijks had durven bekijken en van hem naar anderen daarna die alleen maar gekeken hadden en ten slotte naar de laatste, die ze erg had gemist. Maar dat was allemaal lang geleden en de wereld was sindsdien niet ten goede of ten slechte veranderd. Ook waren er een paar fotografen geweest, amateurs, een enkele professioneel, die foto’s hadden gemaakt toen ze zo’n zestien jaar was en zich nog volgzaam had gedraaid in al die houdingen die ze als erotisch, passend of opwindend hadden beschouwd. Maar zij zouden niet meer weten wie ze was en ook naar hen was geen terugkeer mogelijk.
‘Je bent erg mooi,’ zei de man, de naald verwisselend. Ze waren halverwege. De zweetdruppels gleden van zijn gezicht af alsof hij zich in een stoomcabine bevond. Met een handdoek depte hij zijn voorhoofd.
‘Dank u,’ zei ze.
Na deze zinnen spraken ze niet meer.
Het werd later. Laat. Ze voelde het.
Hij gaf haar zoethout tegen de pijn en ze kauwden tegelijk. Onder zijn armen waren natte plekken verschenen. Na zeven uur van onafgebroken arbeid, stond hij op, trok een laken over haar heen en zei hij haar te rusten.
‘Ik zal de winkel sluiten,’ zei hij.
Ze viel in een kleurloze slaap. Toen hij haar wekte, een beker met warme vloeistof in zijn hand, lagen haar schone kleren over de stoel. Ze dronk langzaam, de koffie had geen smaak, en keek naar hem. Hij nam de beker van haar over en trok het doek voor een lange staande spiegel weg. Moeizaam kwam ze overeind.
Minutieus geweven bloemen en glinsterende insecten trokken in zwart, diepblauw en purper hun stengels en pootjes over haar borsten, de huid volledig bedekkend. Elkaar bijtende koningsmieren, met uiterste zorg in de huid geëtst, vormden in gitten colonnes de fragiele bandjes die de cups ophielden. Een nog verfijnder en geraffineerder labyrintische miniatuurkosmos, bestaand uit chimaera, weelderige onderwaterplanten, koralen en rondbuitelende creaturen met een overvloed aan armen en benen en met snavels en scharen die uit hun menselijke gezichten staken, bedekte haar billen, heupen, geslacht. Over haar ademende huid zaten de schepsels elkaar achterna en raakten in elkaar verstrikt. Hij had haar niet aangeraakt waar het vlees stopte naakt te zijn en terugkeert in het warme lichaam zodat het onmogelijk is te zeggen of het binnenkant is die zich naar buiten opent of buitenkant die terugkeert tot het binnenste.
Met de verlegenheid van iemand die zich voor de allereerste keer had ontkleed en aangekleed, bedankte ze hem. Voortaan zou alles herhaling, continuering en toevoeging zijn. Hij was de laatste die haar had gezien. Vanaf nu ging ze juist bedekt.

Top

Column, mei 2007
 
Het verhaal Op de set van Manon Uphoff verscheen in mei 2007 in het tijdschrift Avantgarde.


Op de set


Het was tijdens de pauze, de set stond op het punt afgebroken te worden, we hadden hard gewerkt en het leek goed te gaan met de film (we hadden er meer dan de helft van de draaidagen op zitten). Er waren wel wat moeilijkheden geweest, maar nu was het meeste opgelost, er had zich een klein ongeluk voorgedaan met een van de hoofdacteurs (nogal een zeur was dat) maar niets om over naar huis te schrijven en niets waar niet voor kon worden gezorgd, zijn pols was al uit het verband, de catering was goed, geweldig als altijd, sandwiches met en zonder boter, een keur aan kaasjes, stevige chorizo, soep, risotto met shi-take, bier en wijn en dit is het verhaal zoals de regisseur, die een neus had voor het afwijkende, een grote, praatgrage man met een verrukkelijke kleine en verschrikkelijk grappige vrouw over wie hij sprak in de meest liefdevolle bewoordingen en die hem soms opzocht tijdens het draaien, het ons vertelde:
‘Een goede vriend van mij, jullie kennen hem wel, de bekende acteur... nee, ik zal zijn naam niet noemen, somber aantrekkelijk, een beetje triestig wijs, met die zwarte scherpe humor die veel vrouwen zo onweerstaanbaar vinden – in het openbaar verscheen hij dan ook altijd met de meest ravissante vrouwen - vertrouwde me eens toe, (en ik was niet zijn enige vertrouweling) dat hij in zijn priveleven eigenlijk veel liever de lelijke eendjes had. En inderdaad toen hij me een keer op sleeptouw nam en de ene na de andere schoonheid passeerde, probeerde hij het tot mijn verbazing aan te leggen met een meisje dat je niet alleen nauwelijks aantrekkelijk kon noemen, of zelfs maar doorsnee, maar echt... nou ja... lelijk, met een gebogen neus en een bottig gezicht, en zelfs een soort van beverige tic, in ieder geval, naar haar ging zijn belangstelling uit, en met haar verliet hij uiteindelijk die kroeg, zijn arm als een beschermheer om haar heen geslagen. Ik was gefascineerd en hij legde het me uit, een nacht waarin we allemaal dronken waren als Caligula. Hij zei opnieuw dat hij van alle vrouwen ‘de lelijke eendjes het liefste had’, op dezelfde toon, alsof het een soort mantra was. Maar waarom, vroeg een van ons. Was het omdat ze zo dankbaar waren en eens echt voor je wérkten in bed en je tot een god maakten, terwijl de mooiste en prachtige vrouwen natuurlijk gewoon zijn onverdeelde aandacht en toewijding opeisten en je echt konden uitputten? Ja, gedeeltelijk, zei hij. Het ging om devotie, zei hij. Het was hem opgevallen dat hij alleen in staat was tot devotie als degene tot wie die zich richtte dat totaal niet verwachtte. Hij zei dat het dan pas devotie was, puur en onversneden. Inmiddels, zei hij, was het al zo ver dat hij gericht op zoek ging naar de meest meelijwekkende creaturen, in steden en dorpen, achterbuurtjes, en ze mee naar huis sleepte om ze als koninginnen te behandelen. (Om te veranderen in de baarlijke duivel zodra ze op het punt stonden hem te geloven – en ze deur uitgooiend als ze het hele ‘kunstmatige’ en constructieve elementen van de verhouding uit het oog begonnen te verliezen.)’
‘In ieder geval, hij hield er een complete theorie op na. “Federico Fellini, zei hij, die voor een film eens een glanzende zee nodig had, en met de voltallige crew naar de kust ging om daar opnames te maken, raakte zo teleurgesteld door de realiteit van die zee, de schuimkoppen, de golven, dat hij riep: “dat ziet er toch niet uit” en later, in de studio, van honderden en nog eens honderden meters doorschijnend plastic een kunstmatige zee liet maken, die door tientallen handen aan het rollen werd gebracht en door de filmlampen aan alle kanten werd beschenen. Alles glinsterde en rolde en bewoog betoverend en hallucinerend en iedereen was het met hem eens geweest dat dat veel beter was dan de echte zee. Precies zo vermoeide de echte schoonheid van vrouwen hem, en zag hij liever de soms wanhopige nabootsing ervan in anderen. Hij deed echt zijn best ons te overtuigen.
“Er zijn vrouwen,” zei hij, “die verliefd worden op de soldaten die hun eigen mannen en zoons hebben afgeslacht, sterker nog: er zijn zelfs echtgenoten die hier – voorafgaand aan hun eigen slacht – begrip voor hebben en het er zelf mee eens zijn...”
“Wat heeft dat in ’s hemelsnaam te maken met onaantrekkelijke vrouwen?” zei ik, hij had me aan het denken gezet.
Nou, was het niet fantastisch, geweldig zelfs om ook de vrouwen die van nature geen lady Macbeths waren, met de gelegenheid eens te zien opstijgen tot grote hoogte? Om ze, al was het maar kort, te doen geloven of te laten spelen dat ze het hart van mannen konden veroveren, verdelen en verscheuren? Hem konden doen wegzinken in misère en ellende als ze hem weigerden of miskenden en om dit voor elkaar te krijgen en goed te weten dat het een zorgvuldige constructie was? Een spel. Niet het blinde, domme, stompe instinct waarover iedereen beschikt, maar een vorm van kunst! Waarvoor was hij anders acteur?
Maar bleef hij bij ze? Nee, want na een tijdje gebeurde er altijd het volgende: of ze begonnen te geloven in het hele gedoe en zijn ‘aanbidding’ echt te accepteren, na een tijdje verdampte dan het laatste restje van hun dankbaarheid (nog niets een zo erg), maar vervolgens wilden ze ineens geloven dat het werkelijk hun karakter was waar hij van hield. Terwijl, hier komt het, hij juist hield van die kille wispelturigheid, de humeurigheid, het verveelde en koele, het onberekenbare van te mooie vrouwen en die eigenschappen dus van ze verlangde. Of ze werden er zo nerveus van en vonden het allemaal zo zenuwslopend, die constante zorg dat hij er weer vandoor zou gaan dat ze de rol niet aankonden. Dan wankelde het hele bouwwerk, verkruimelde het voor zijn ogen. Want ze moesten wel weten dat het een te vernietigen bouwwerk was, hij had uiteindelijk ook die tussenmomenten van ze nodig: de extase, de angst, de angst, de trots, hun achterdocht... hij was dus niet als Casanova, die de jacht zelf nodig had en er de hele tijd op uit wilde om te veroveren...’
‘Freudiaans hoor,’ zei iemand uit ons groepje, terwijl de soep werd ingeschonken.
‘Ja, ontstellend Freudiaans.’
‘Ik heb hem nu al een tijdje niet meer gezien,’ slurpte de regisseur, ‘het schijnt dat zijn moeder, ooit ook een... sllllp... actrice van naam, maar van de Duitse.... sllllp... school, gründlig, gründlig – zich volledig heeft teruggetrokken uit de publiciteit en ergens in een stikdonkere kamer leeft en dat hij dagelijks bij haar langsgaat... dat is... verrek wat is dat nou..? Hij trok de punt van zijn stropdas uit de soep, ‘wat ik gehoord heb tenminste. Dat ze, in haar tijd een vurig loeder, nu ver in de tachtig, slaapt met een zuurstofmasker en alleen nog vloeistof tot zich neemt. Hoe dan ook, de laatste keer dat ik hem zag, was bij hem thuis, ik was uitgenodigd, een geweldig appartement was dat, zag eruit als een Lunapark, heb in mijn hele leven niet zoveel gekleurde en flakkerende lampen gezien, je kwam er niet achter wat voor echte kleur je eten had, hele vreemde ervaring, je wortels blauw op het bord te zien liggen en je tournedos springend van paars naar oranje, alle kleuren van de regenboog, en we zaten aan zijn tafel – we hadden wat gepraat over het stuk waarin hij toen speelde - en hij had een nieuwe vrouw, moet je weten, echt lief, heel vriendelijk, maar doodgewoon. Ik peinsde me suf wat het was. Wat er met haar kon zijn, want, nou ja, dat is wat ik half en half verwachtte, denk ik... dat er iets met haar was. In ieder geval, kwam ik snel genoeg achter. Het werd allemaal nog behoorlijk grimmig en onaangenaam toen het later werd, we dronken onze cognac en wodka alsof het kinderlimonade was en zo zag het er ook uit in dat licht.
“Toe dan, vertel het hem dan,” had ze gezegd, toen we een paar drankjes op hadden. Ik weet toch dat je er niet alleen in ‘t geniep verschrikkelijk trots en dol op bent. Het is toch je meest geliefde, kitscherig romantische verhaal en met afstand je beste performance. Vertel het hem dan! Wat houd je tegen?!”
“Alles, mijn liefje,” zei hij, en daar gooit hij die hele tafel omver, om daarna tussen onze malse veelkleurige tournedos, groene en purperen sausklodders, schalen, babypeultjes, kapotte glazen, wijn die uit de fles druipt, en die doorflakkerende lampjes en kleurtjes alsof hij Travolta was tijdens zijn discodans te beginnen aan zijn onbegrijpelijke tirade over bouwwerken, constructies, dat een gebouw waarvan je ooit het raamwerk hebt gezien, niet onafgemaakt hoeft te blijven en weet ik veel wat nog meer allemaal.’
Hij pauzeerde even.
‘Daarna kwakte hij haar op straat, huilen, beschuldigingen, echt afschuwelijk. Dus nam ik haar mee naar huis, moet je weten, gewoon, om haar even tot rust te laten komen. Lief meisje was het.”
Achter ons vielen een paar buizen naar beneden. De opname van die dag had zich half binnen, half buiten afgespeeld. Buiten onze kring, op gepaste afstand, stonden de tafels van de figuranten, hun belegde broodjes onder cellofaan.
Nou ja, later die nacht vertelde zij me hoe hij aan haar gekomen was. Dat was misschien een halfjaar nadat hij een Gouden Beer gewonnen had, hij zat bij zijn buitenhuis, op de veranda, helemaal the poor lonesome cowboy en die oudere vrouw, flink eindje over de middelbare leeftijd komt langs, niets met bekendheden uit te staan of op de hoogte waarschijnlijk, want ze herkende hem totaal niet en had een licht accent. Ze had een grappig klein hondje bij zich, springerig ding, heel spits, alert en nieuwsgierig, met een bruinzwart vachtje dat in plukjes alle kanten op stond, en de glanzendste bruine oogjes, en dat was onmiddelijk op hem afgerend. “Ach, neem me niet kwalijk,” zei ze - en trok het beestje meteen terug, maar overduidelijk met de bedoeling het hondje als aanleiding voor een gesprek te gebruiken, “hij is niet van mij, en doodnieuwsgierig.”
Volgde een hele verhandeling, hondje was van haar dochter. Dochter was in ziekenhuis, je kon het ziekenhuis vanaf hier zien liggen, zelfs het raam van de kamer waar ze lag, maar toch nog langer lopen dan ze van daaruit had gedacht, al had ze gewoon moeten lopen, lopen, lopen, zo blij met die uitslag: haar dochter kankervrij. Na maanden van paniek, angst die verschrikkelijke ingreep... en dat op zo’n jong lichaam! Ach wat een ellende. En ook daarna niets zeker. Steeds weer nieuwe foto’s en nieuwere foto’s, je zou bijna denken dat ze er in die ziekenhuizen complete feestalbums van aanlegden, en scans en dan het bestralen, de chemo, dit proberen, dat eens proberen, nog maar weer eens een cocktail... Ach, haar dochters lange bruine haar, als de veertjes van een vogel... floep, floep, floep, en op een dag helemaal niets meer, het laatste veertje, en weer medicijnen en wachten... wachten... wachten met die angst die je van binnen helemaal rauw maakte, waardoor je soms wenste dat het maar voorbij was! Verschrikkelijk! Haar man was dood, maar dat was alles bij elkaar minder erg geweest, een man kon je ruilen, je kon een nieuwe aanschaffen, een kind was eenmalig. Maar nu... dolblij, dolblij... kon de hele wereld aan, de opluchting, kankervrij verklaard, en haar haar was ook weer helemaal terug.
Toen was daar ineens die foto.
“Alstublieft,” had ze gezegd, “alstublieft... ik ben haar moeder, ik kijk anders, maar u bent een man... u moet weten of... ze is nog zo jong... u weet of het te verdragen is...”
Hij had daar gezeten zonder een antwoord te geven, met die vreemde ziekenhuisfoto van een hem onbekende vrouw, een polaroid met een onbekend naakt bovenlichaam in zijn handen, dat eruitzag als van een jonge amazone, alsof ze zelf met één gebaar aan de linkerkant...
Uiteindelijk had hij geknikt, gemompeld, hij wist niet meer wat, de foto teruggegeven. Maar toen ze doorliep, was hij opgestaan en kalm, in een rechte lijn naar dat ziekenhuis gegaan, waar hij haar in die kamer had gevonden.
“Maar lieve kind, hoe ben jij dat dan in godsnaam allemaal te weten gekomen?” vroeg ik.
Triest lachje. Omdat hij het haar zelf had verteld, in geuren en kleuren, een maand nadat ze in het geheim, tijdens een vakantie in de Dordogne, waren getrouwd. Ze had zelf niet eens geweten dat hij zo bekend was, een acteur van naam. Ze had niet een van zijn films gezien.
We waren allemaal een tijdje stil. Wierpen een blik op de set, die er kaal en blikkerig bij lag.
‘Nou, nou, erg Freudiaans allemaal,’ zei iemand nog eens.
‘Stel je voor,’ zei de regisseur, hij pulkte een shi-take van zijn kleurige zijden das, een beetje mijmerend en mompelend en ons allemaal meenemend op zijn kleine gedachtenreis: ‘Ik heb me sindsdien vaak afgevraagd hoe het moet voelen om een jonge chirurg te zijn en de borst van een vrouw te verwijderen. Om haar binnengereden te zien worden, haar gezicht bedekt, haar bovenlichaam nog onder een laken, en dit laken te openen, en daar is hij, ferm, fris, alles wat er mis mee is, is binnenin verborgen. En dan het instrument opnemen, het chirurgenmes. Haar een dag, een paar dagen later te ontslaan, om terug te keren naar zijn vrouw, zijn minnares, zijn dochters, om hetzelfde ding dat hij zo wreed verwijderd heeft, opnieuw te knuffelen, te kussen, de borst waar hij aan zoog als baby!’
‘Heel, heel erg Freudiaans, allemaal,’ zeiden we nu - terwijl vrouwenborsten voor ons geestesoog rondzweefden als onderwaterbloemen.
‘Ja heel erg,’ beaamde hij. ‘In ieder geval, een paar uur later kwam hij naar mijn huis. Het was al bijna ochtend. Bellen, schreeuwen, op de deur bonken, wilde perse met me op de vuist, liet ik hem binnen, hij meteen huilen als een klein kind, dat hij van haar hield, hield... zou sterven zonder haar... Zij wegrennen, bleek vertrokken gezicht en “nee-nee dit gaat toch niet meer?” roepen, “alles is vals, alles is helemaal vals” hij zich ondertussen zo hevig met de gebalde vuist tegen het hoofd slaand dat je er bang van werd: “het valse is echt” en ik maar proberen ze tot bedaren te brengen, wahaha, het was allemaal geweldig, mind you, we hebben het over het jaar 2002, de halve wereld staat in brand, maar tussen die twee is het helemaal Ophelia en Hamlet. Ging gewoon weer met hem mee terug, natuurlijk, je vraagt je af waarom, maar ze deed het.’
‘Ik hoorde eens van een moeder,’ zei iemand anders, ‘die haar dochter bleef voeren tot ze zowat barstte! Kon geen nee-zeggen tegen haar lievekleinemeid die al zo’n beetje driehonderd pond woog! De gedachte haar iets te ontzeggen was gewoonweg hartverscheurend! Stond midden in de nacht op om worstjes voor haar te braden!’
‘Dat is geen verhaal,’ werd er opgemerkt, ‘dat is gewoon iets – dat zijn gewoon dingen die gebeuren.’
‘Maar ik ken die acteur is over wie je het hebt,’ onderbrak een figurant die zo brutaal was geweest onze kring op te zoeken en over de tafel gebogen een reusachtig stuk chorizo aan plakjes sneed, en een kom tot aan de rand vulde met soep, ‘en ik weet zeker dat niets van wat je hebt verteld, waar is! Ik heb hem meer dan eens gezien en altijd met de prachtigste vrouwen! Dat van zijn moeder klopt ook niet, die is ziek, maar niet gestoord.’
‘Is dat zo?’ zei de regisseur. ‘Is dat zo?’
‘Nou ja, men zegt dat het mijn zwakte is, die onstuitbare behoefte tot fabuleren! Hoe dan ook, ik heb jullie wel aan borsten doen denken, nietwaar? En aan de verborgen vreugdes en banden die kunnen bestaan tussen een man en zijn vrouw.’
In de verte, op de nu volledig afgebroken set, alsof daar helemaal niet gewerkt, gevloekt, gelachen en gehuild was, verscheen zijn kleine en grappige Olga, van grote afstand te herkennen aan haar springerige, nieuwsgierige loopje en haar glanzende bruinzwarte haar dat alle kanten op sprong.


Manon Uphoff, 2007

Top

Column, maart 2007
 
Het verhaal Kant van Manon Uphoff zal verschijnen in het tijdschrift Lace. Het is tevens voorgelezen tijdens de aflevering duizendwoorden van de VPRO (ism NRC handelsblad) op vrijdag 9 maart j.l.


Kant


Het was een week waarin zich wereldwijd een opvallende hoeveelheid ingrijpende gebeurtenissen had voltrokken. Daaronder een aantal dat nauwelijks te verdragen was geweest. Incidenten die scherp afstaken tegen het gebruikelijke toch al grimmig landschap van misdaad, moord en verlies. Voorvallen die net als bij anderen aan haar lichaam en ziel hadden gekrabd en daarom zo snel mogelijk naar de achtergrond moesten worden gedrukt vóór de verdoving die aanving met een koud gevoel in de tenen, het verlies van souplesse in de vingers, daarna in beweging zich nog verder zou uitspreiden.
Feitelijk schreeuwden de gebeurtenissen in die week, maand, dat jaar, die periode waarin zij leefde en ronddwaalde om een respons.
Dat was waarom ze besloot erheen te gaan, die middag. Naar de kleine shop in het zijstraatje dat ze vaak had gepasseerd. Het was er niet zo smoezelig als in sommige van zulke zaken, hoewel ze nooit bij een ervan binnen was geweest. De etalageruiten waren schoon, van helder glas en het interieur had meer weg van een winkel voor exclusieve Italiaanse schoenen of een reisbureau waar je een trip naar een onbekend exotisch eiland kon boeken dan van een plek die traditioneel fungeerde als ontmoetingsplaats voor zeemannen, motorrijders en hun vrouwen, vrouwen en hun motorrijders, jonge, brutale en overmoedige meisjes (hun frêle ratachtige gezichtjes bezaaid met puistjes, het blauw van hun aderen zichtbaar onder de papieren huid van hun armen), alcoholisten die indruk wilden maken en in hun beneveling reikten naar ‘iets groots’ en oudere mannen en vrouwen die hadden besloten dat ze voor de verandering iets volkomen krankzinnigs en buitenissigs zouden doen omdat het nu hun tijd was - en die vervolgens naar buiten kwamen met hun rug of buik overtrokken door enorme slangen, tarantella’s en doodshoofdvlinders, of draken en andere mythische schepsels zoals Cerberus de driekoppige hellehond die de poort naar het vuur bewaakt, de griffioen, de harpij, of Quetzalcoatl, de gevederde Maja-god, zonder te weten naar welke literaire, mythische of historische gebeurtenissen en verhalen ze voor altijd (tot aan hun dood) zouden verwijzen. En natuurlijk had ze gehoord van verschrikkelijke incidenten. Mensen die waren vergiftigd omdat de inkt direct in hun arteriën was gespoten. Koortsaanvallen bij ongelukkigen die met vuile naalden waren behandeld. Of van de groteske afbeeldingen, aangebracht en ontworpen door beunen, waarmee je rondliep als levende aanklacht en belediging van schoonheid en kunst.
Haar beslissing kwam niet voort uit een behoefte indruk te maken. Misschien was het, méér dan iets anders, de noodzaak voor eens en altijd tot iets door te dringen.
Ze passeerde een etalage.
In een lichtkast toonde de voorpagina van een krant de foto van een jonge vrouw, niet erg aantrekkelijk, plomp, met een kort, bol kapsel, die een donkerharige man – naakt, besmeurd en op de vloer als een hond – voorttrok aan een riem. Ze had hem al eerder gezien. De foto was op elk journaal geweest. Daaronder nu een advertentie voor een boek dat ‘magnifiek geschreven’ was en ‘uw leven beslist zal veranderen’.
Ze liep voorbij, sloeg het zijstraatje in en ging de winkel binnen. Aan de man die er op een smal laag bankje zat, legde ze uit wat het precies was dat ze verlangde. Hij bleef zitten, nam haar lang en bedachtzaam op. Toen zei hij dat hij geen expert was en niet ervaren genoeg. Dat ze, voor wat zij wilde, de eigenaar nodig had en die zou er de volgende week pas weer zijn. Hij noteerde haar naam, gaf haar een ruwe indicatie van de lengte van de benodigde sessie en noteerde een telefoonnummer en e-mailadres op een stuk papier dat met inktvlekken was bespat. Ze voelde hoe hij even overwoog het zelf te doen, in gretige en al te voorspelbare begeerte, maar dat vrees het op de verkeerde manier aan te pakken, hem tegenhield en was hem daar dankbaar voor.
De week erop keerde ze terug. Geen van de gebeurtenissen in de voorafgaande periode hadden aan invloed verloren of waren fatsoenlijk afgerond. Integendeel. Almaar nieuwe incidenten hadden zich eraan toegevoegd en ze wist dat het nu snel moest gebeuren omdat het onmogelijk was ooit nog een straat over te steken, een tv-programma te bekijken, een boek te lezen of iemand in de ogen te kijken zoals ze nu was.
De eigenaar was aanwezig. Hij was mager, met droge vingers, en niet Aziatisch (wat ze op de een of andere manier had verwacht). Zijn gezicht had iets Kaukasisch, maar het accent waarmee hij sprak was lokaal. Zijn stem was zacht en meisjesachtig.
Ze vertelde opnieuw wat ze wilde en hij knikte, kauwend op een soort takje, maakte wat aantekeningen en stelde haar vragen. Had ze ooit een huidziekte gehad? Was ze allergisch? Hoe was haar algehele conditie, gezondheid? Toen hij klaar was vroeg hij haar achter het gordijn te stappen en zich uit te kleden omdat hij de huid eerst wilde zien. Ze deed wat hij vroeg. Hij draaide haar een paar keer rond, knikte opnieuw, zei dat ze met een dag of drie terug kon komen - dat hij het allemaal het liefst in een keer deed, alles bij elkaar zou het zo’n zes a zeven uur duren, dat was erg lang, beslist geen standaardsessie en het zou pijnlijk zijn. Hij schreef een recept uit voor pijnstillers die haar bloed niet zouden verdunnen, zei dat ze ‘schoon en helder’ terug moest komen, gewassen, ongeparfumeerd, geschoren, met zachte comfortabele kleding voor daarna. Liefst zijde of geweven katoen. Handdoeken waren hier. Na de behandeling zou hij een paar uur bij haar blijven om te controleren hoe de huid reageerde en om indien nodig medische hulp in te kunnen schakelen. Hij zei dat hij niet zeker wist of hij alles kon doen wat ze wilde, maar dat hij zo ver zo gaan als mogelijk was.


Hij vroeg haar naar achteren te komen.
De gordijnen voor in de winkel werden gesloten.
Het licht in de ruimte ontstoken.
Nu pas zag ze dat hij een beetje mank was. Hij was gekleed in een zwarte jeans en een zwart T-shirt met korte mouwen dat nogal contrasteerde met zijn armen waarover een gelige glans lag en kauwde opnieuw op een takje. Toen hij het even later op een schoteltje legde en een nieuw takje uit een glas nam, zag ze dat het zoethout was.
Mijn ouders zijn gestorven, dacht ze, terwijl de naald trilde en zoemde en de inkt zich door het epidermis naar de dieper gelegen huidlagen zoog. Zij hebben mijn eerste naaktheid gezien, maar niet mijn laatste. Toen meanderden haar gedachten naar haar eerste minnaar, die haar nauwelijks had durven bekijken en van hem naar anderen daarna die alleen maar gekeken hadden en ten slotte naar de laatste, die ze erg had gemist. Maar dat was allemaal lang geleden en de wereld was sindsdien niet ten goede of ten slechte veranderd. Ook waren er een paar fotografen geweest, amateurs, een enkele professioneel, die foto’s hadden gemaakt toen ze zo’n zestien jaar was en zich nog volgzaam had gedraaid in al die houdingen die ze als erotisch, passend of opwindend hadden beschouwd. Maar zij zouden niet meer weten wie ze was en ook naar hen was geen terugkeer mogelijk.
‘Je bent erg mooi,’ zei de man, de naald verwisselend. Ze waren halverwege. De zweetdruppels gleden van zijn gezicht af alsof hij zich in een stoomcabine bevond. Met een handdoek depte hij zijn voorhoofd.
‘Dank u,’ zei ze.
Na deze zinnen spraken ze niet meer.
Het werd later. Laat. Ze voelde het.
Hij gaf haar zoethout tegen de pijn en ze kauwden tegelijk. Onder zijn armen waren natte plekken verschenen. Na zeven uur van onafgebroken arbeid, stond hij op, trok een laken over haar heen en zei hij haar te rusten.
‘Ik zal de winkel sluiten,’ zei hij.
Ze viel in een kleurloze slaap. Toen hij haar wekte, een beker met warme vloeistof in zijn hand, lagen haar schone kleren over de stoel. Ze dronk langzaam, de koffie had geen smaak, en keek naar hem. Hij nam de beker van haar over en trok het doek voor een lange staande spiegel weg. Moeizaam kwam ze overeind.
Minutieus geweven bloemen en glinsterende insecten trokken in zwart, diepblauw en purper hun stengels en pootjes over haar borsten, de huid volledig bedekkend. Elkaar bijtende koningsmieren, met uiterste zorg in de huid geëtst, vormden in gitten colonnes de fragiele bandjes die de cups ophielden. Een nog verfijnder en geraffineerder labyrintische miniatuurkosmos, bestaand uit chimaera, weelderige onderwaterplanten, koralen en rondbuitelende creaturen met een overvloed aan armen en benen en met snavels en scharen die uit hun menselijke gezichten staken, bedekte haar billen, heupen, geslacht. Over haar ademende huid zaten de schepsels elkaar achterna en raakten in elkaar verstrikt. Hij had haar niet aangeraakt waar het vlees stopte naakt te zijn en terugkeert in het warme lichaam zodat het onmogelijk is te zeggen of het binnenkant is die zich naar buiten opent of buitenkant die terugkeert tot het binnenste.
Met de verlegenheid van iemand die zich voor de allereerste keer had ontkleed en aangekleed, bedankte ze hem. Voortaan zou alles herhaling, continuering en toevoeging zijn. Hij was de laatste die haar had gezien. Vanaf nu ging ze juist bedekt.



Top

Column, januari 2007
 
Manon Uphoff schrijft maandelijks een column in Elegance. Hieronder haar column die zal verschijnen in het maartnummer van Elegance


In Duitsland raken we ze kwijt, in Oostenrijk komen we erachter. Honderden kilometers terug vinden we onze paspoorten weer. Uit een binnenzak op de weg gevallen. Het mijne verminkt (de 1e pagina weg), dat van mijn lief bedekt met modder en het reliëf van een autoband. Met een brief van de politie en mijn boekomslagfoto's (ik heb wat boeken op de achterbank) als bewijs dat ik ben wie ik zeg te zijn, mogen we doorreizen.

Het huisje is klein, KOUD, (want lang niet bewoond), het interieur verouderd. Lambrisering van houten latjes, een keuken met duizend-en-eenkastjes, het hout geschilderd in de meest wonderlijke kleuren. Boven staat een kast in de slaapkamer die zo groot is dat er een tweede bed in past. Het is een spiegelkast, elke avond kijken we naar onszelf voor het slapengaan.

Er is een dakterras. Vandaar kan je uitkijken over een stuk zee, over bossen en de bergen aan de overkant. Het is het terras en het uitzicht waar we verliefd op werden. Nu moeten we boete doen voor deze liefde. Eerst moeten alle vliegen dood die zich de afgelopen twee jaar het huis hebben toegeëigend. ‘Op’ stofzuigen durf ik ze niet, in mijn verbeelding vermenigvuldigen ze zich in de in de buikholte van het apparaat dat door de vorige bewoners is achtergelaten. Mijn lief slaat een spijker in zijn hand, ik laat een zware mok op de nagel van mijn grote teen vallen. ‘O, ik weet precies wat er gaat gebeuren,’ zegt hij opgewekt: ‘Eerst wordt hij blauw, dan zwart, dan valt hij eraf.’ In de dagen daarna zwelt de teen, de nagel wordt blauw, dan zwart.

‘Er staat hier een waterstofzuiger,’ zegt hij,‘waar zou die voor zijn?’
’s Avonds vergeet ik de stop uit de douchebak te halen. De bovenverdieping komt blank te staan, de waterstofzuiger loeit. We krijgen bericht dat er drie beren zijn gesignaleerd op het eiland. Tijdens een bezoek aan het kerkje heeft de priester het over exorcismen en dat de duivel nog steeds onder ons is. Op de voorpagina van de krant een foto van de gehangen Saddam. In bed kijken we elke avond naar de man en de vrouw in het bed tegenover ons in de spiegelkast, en naar de twintig afleveringen van ‘Oorlog en Vrede’. Pas tijdens de derde aflevering kom ik erachter dat de man die Pierre speelt de acteur Anthony Hopkins is. Het geweld van de oorlog is sereen in beeld gebracht, met een ontploffende soldaat op de miljoenen doden (om dit te verifiëren hebben we tien keer teruggespoeld!) maar het komt toch aan. Ik lees een verhaal van Conrad over een man die in het goede gelooft, maar beroofd en bedreigd wordt in Napels - de stad waar hij zo naar verlangde, en herlees De Aleph van Borges. Later, we zitten zwijgend, tevreden bij elkaar, aan de overkant, aan ‘gene zijde’ branden de lichtjes van de havenstad, krijg ik een idee voor een verhaal: een man komt erachter dat zijn vrouw en hij al tien jaar niet meer met elkaar gesproken hebben, dat het zwijgen langzaamaan tot stand is gekomen en niet het gevolg is van conflict, koelheid, woede, zoals in de beginjaren van hun huwelijk, dagen waarin zij elkaar bitter ‘doodzwegen’, nee, dat de stilte is gekomen als een geschenk, als sneeuw in de nacht. Het is in februari dat de man dit denkt. Aan het eind van de dag gaan zijn vrouw en hij naar bed, het is koud, ze liggen dicht bij elkaar, zijn vrouw leest een boek, als ze zich opzij draait om het weg te leggen op het nachtkastje ziet de man een schaduw de kamer binnenglijden, het is de schaduw van de dood, de man kent hem goed, hij heeft er twee keer mee gevochten en twee keer van hem gewonnen, maar nu trekt hij over de muur richting zijn vrouw. De man raakt in paniek, wat moet hij doen? Als hij schreeuwt om haar te waarschuwen, zal hij de stilte verstoren, zijn onverwachte woorden, na een rust van meer dan tien jaar zouden haar bang maken. De schaduw is al dichtbij haar. Hij zwijgt – en de dood buigt zich over haar. Ik grabbel op het kastje naar mijn aantekenboek. ‘Ik heb een verhaal,’ zeg ik tegen B - en doorbreek de stilte. Hoe het komt weet ik niet, maar ik heb het nog niet gezegd of hij zegt iets, ik zeg iets, hij zegt weer iets en nog geen vijftig, zestig gesproken woorden later is er een knallende ruzie, zijn er golven razende woordenstromen.

Het leven volgt iets, trekt een spoor, maar probeer eens uit te vinden wat de afdrukken betekenen.



Top

Column, december 2006
 
De Avond van het Liefdeslied vond 8 oktober jl. plaats. Dertien dichters kozen dertien muzikanten om samen een nieuw lied te schrijven over de liefde. Manon Uphoff en Maarten van Roozendaal vormden deze avond ook een dichters/muzikanten koppel met 'Het rattenlied'. De liedteksten van de Avond van het Liefdeslied zijn gepubliceerd in het Liefdesnummer met dvd van De Revisor.


Het rattenlied

Otto was negen en wilde graag een hondje
Om van alles aan te leren
Hoe je een stok kunt apporteren
En ook hoe je uit een bakje eten moet
En meer van dat soort hondendingen doet

Maar Otto's vader kon een hondje niet betalen
Alle kelders van de huizen
Zaten vol ratten en vol muizen
Zo was dat vroeger in de hele stad
Dus Otto kreeg geen hondje, maar een rat

Zo zien de mensen Otto met zijn ratje lopen
'Kijk, ik heb een hond gekregen'
Door de straten, door de stegen
Waar het stinkt naar raap en kool
Loopt Otto met zijn schat uit het riool

Het is een rat, roepen de kinderen
Een vieze, vuile rat
Uit de vieze, gore kelders van de huizen in de stad
Maar Otto zegt, het is een hond, zijn naam is Bas
Het is gewoon een heel speciaal soort hondenras

Otto, diep gelukkig met zijn hondje
Is hem van alles aan het leren
Hoe je een stok kunt apporteren
En ook hoe je uit een bakje eten moet
En meer van dat soort hondendingen doet

En zie ze daar nou met z'n tweetjes lopen
Langs de kerk, over graven
Bij het dok en langs de haven
Naar het donkere mijngebouw
Loopt Otto met zijn ratje aan een touw


Dat is leuk en een verrassing voor zijn vader
Die zonder morren, zonder klagen
Voor een paar stuivers, alle dagen
In de mijn werkt, diep onder de grond
Kijk, daar heb je Otto met zijn hond

Maar dat is een rat, roepen de mannen
Een vieze, vuile rat
Uit de vieze, gore kelders van de huizen in de stad
Welnee, zegt vader, het is een hond, zijn naam is Bas
En hij is een heel speciaal soort hondenras

Zo was Otto altijd samen met zijn hondje
Bas heeft hem wel een keer gebeten
Maar toen heeft hij het geweten
Wie van hun tweeën er nou echt het baasje was
En dat was natuurlijk Otto en niet Bas

En mocht Bas stiekem 's nachts naast Otto slapen
Hij mocht niet knagen aan de spijlen
En niet op het kussen kwijlen
Van die dingen die een hond nou eenmaal doet
Het duurde lang, maar Basje leerde goed

Zo kon het ratje als de beste apporteren
En was hij ook heel bedreven
In doodliggen en pootjes geven
En hij sleepte 's avonds voor het slapen gaan
Otto's streepjespyama en zijn slofjes aan

Maar het blijft een rat, riepen de mensen
Een vuile, vieze rat
Uit de vieze, gore kelders van de huizen in de stad
Het is een hond, zei Otto dan, zijn naam is Bas
Het is gewoon een heel speciaal soort hondenras

Toen op een dag is Otto ziek geworden
Hij kon alleen nog overgeven
Vader vreesde voor zijn leven
Dan was hij heet en dan weer koud en dan weer heet
De dokter zei, dat komt door die rattenbeet

Het ging ook niet over en het duurde alweer weken
Hij lag te ijlen en te zweten
Zelfs vaders soep kon hij niet eten
Steeds als het donker werd, werd hij enorm bang
En dan likte ratje zacht zijn hete wang

Na een dag, toen de dokter was gekomen
Hij kon Otto niet genezen
Ze moesten maar het ergste vrezen
Met in zijn armen zijn trouwe, echte hond
Was het dat vader Otto op een morgen vond

Het was die rat, zei de dokter
Die vieze, vuile rat
Uit de vieze, gore kelders van de huizen in de stad
Maar het is een hond, huilde vader, hij heet Bas
En hij is een heel speciaal soort hondenras

De begraafplaats is een heel eind uit de stad
Er lopen heel veel mensen en een rat
De kist die wordt gedragen
Is zo licht, iemand wil vragen
Of daarbinnen nu werkelijk Otto wel ligt
Klein en mager, met z'n ogen dicht

Zakt de kist langs de touwen in het graf
Rent daar opeens het ratje erop af
De mensen denken, het is die rat, die vieze vuile rat
Uit de vieze, gore kelders van de huizen in de stad
Maar het blijft stil
Er klinkt alleen een schorre blaf:
Waf!

Manon Uphoff (tekst) & Maarten van Roozendaal (muziek)

Top

INHOUD
 
  • Verhaal
  • Column, mei 2007
  • Column, januari 2007
  • Column, december 2006